Obesliscoides cuniculi

 

 

Esther van Praag, Ph.D.

 

 

MediRabbit.com wordt uitsluitend gefinancierd door gevers.

Elke donatie, ongeacht hoe groot, wordt gewaardeerd en zal helpen bij de voortzetting van het onderzoek van de medische zorg en de gezondheid van konijnen.

Bedankt  

 

Deze parasiet is een kosmopoliet, en kan in twee goed gedefinieerde subspecies onderscheiden worden:

Obeliscoides cuniculi multistriatus infecteert de Amerikaanse sneeuwhaas (Lepus americanus),

Obeliscoides cuniculi cuniculi infecteert vooral de oostelijke katoenstaart konijn (Sylvilagus floridanus).

Obeliscoides cuniculi cuniculi infecteert vooral ook het huiskonijn, hoewel de andere subspecies ook soms gevonden worden. Experimentele kruisingen tussen Obeliscoides cuniculi multistriatus en Obeliscoides cuniculi cuniculi heeft leefbare nakomen geproduceerd met gemixte karakteristieken, maar er is geen bewijs dat dit ook in de natuur gebeurt. Deze parasiet wordt ook soms de konijnen maag worm genoemd.

De levenscyclus van deze worm is direct. Hij presenteert geen gezondheidsgevaar voor de mens.

www.biosci.ohio-state.edu/~parasite/lifecycles/obeliscoides_lifecycle.html

 

Levenscyclus van Obeliscoides cuniculi

Obeliscoides cuniculi multistriatus

De eieren meten ongeveer 96 x 46 mm, hebben een dunne schaal en worden met de excrementen uitgeworpen. De larven ontwikkelen zich binnen de eieren en sluiten er na 30-36 h uit. De larven bereiken de L3 stadium op de 6de dag en worden infectueus nadat ze in de slijmlaag van de maag doordringen. Binnen 24 h., scheiden de larven hun huid af en ontwikkelen zich in rijpe volwassenen.

Volwassene parasieten zijn roze en hebben geen mond holte. Ze worden in de slijmlaag van de maag gevonden en kleven vast aan de maagwand. De mannetjes (10-15 mm long) hebben goed ontwikkelde laterale lobben aan de bursa copula, met gestreepte huid en een paar naaldachtige punten. Het vrouwtje (15-18 mm) heeft een puntige staart en een vulva die in de staart gedeelte van het lichaam te vinden is. Het produceren en uitwerpen van eieren begint na 16 tot 20 dagen en gaat gedurende 61 tot 118 dagen door.

www.biosci.ohio-state.edu/~parasite/obeliscoides.html

 

Ei van Obeliscoides cuniculi

Obeliscoides cuniculi cuniculi

De eieren zijn iets kleiner dan die van andere ondersoorten: 83 x 47 mm. Ze worden in een stadium van 32 cellen met de excrementen van het konijn uitgescheden. De larven ontwikkelen zich van het the L1 tot het L3 stadium in 6 dagen. De larven kunnen vries temperaturen van 4 tot 2C overleven, maar niet uitdroging.

Na opname van de eieren via het voedsel, ontwikkelen de L3 larven zich binnen het uur nadat ze de maag bereikt hebben en scheiden hun huid af. De laatste huidafscheid gebeurt als de larven naar de slijmvlies migreren, wat waarschijnlijk op dag 5 na opname gebeurt (wormen worden dan aan de oppervlakte van de slijmlaag geobserveerd).

Klinische tekenen

De aanwezigheid van Obeliscoides cuniculi is zelden genoteerd bij konijnen. Ernstige infectie leidt tot bloedende maagontsteking, dat met verlies van lichaamsgewicht, anorexie en diarree gedurende de twee eerste weken van infectie begeleidt wordt. Daarna herstelt het konijn zich goed. De aanwezigheid van Obeliscoides cuniculi wordt door aanwezigheid van de wormen en eieren in de excrementen bevestigd.

Tijdens een autopsie vindt men dat de wormen vast in de slijmlaag van de maag bevestigd zijn en enkele zelfs in de maaggroeven ingedrongen zijn. Pathologische tekenen zijn meestal aan de maag begrensd, met een dik granuleus slijmvlies (combinatie van parasitische larven, klierhyperplasie en infiltratie van witte bloedlichaampjes.

Behandeling

Benzimidazoles

fenbendazol

50 ppm in het voedsel gedurende 5 dagen,

10-20 mg/kg, PO, herhaling na 10-14 dagen

thiabendazol

100-200 mg/kg, PO

Negen dosis methode = een doses van 110 mg/kg PO, gevolgd door 8 doses met 70 mg/kg, q4 h. (Watkins at al., 1984).

Further Information

J.E. Alicata (1932) Life History of the Rabbit Stomach Worm, Obeliscoides cuniculi. J. Agricultural Res. 44: 401-419.

D. Duwel, K. Brech (1981) Control of Oxyuriasis in Rabbits with Fenbendazole. Lab. Anim. 15: 101-105.

L.N. Measures, R.C Anderson (1983) Development of the Stomach Worm, Obeliscoides cuniculi (Graybill), in lagomorphs, woodchucks and small rodents. J. Wildl. Dis. 19: 225-233.

L.N. Measures, R.C. Anderson (1984) Hybridization of Obeliscoides cuniculi (Graybill, 1923) Graybill, 1924 and Obeliscoides cuniculi multistriatus Measures and Anderson, 1983. Proc. Helminthol. Soc. Washington 51: 179-186.

S.W. Russel, B.C. Ward, N.F. Baker (1970) Obeliscoides cuniculi: Comparison of Gastric Lesions in Rabbits with those of Bovine Osteratogiosis. Exp. Parasotol. 28:217-225.

T.R. Schoeb (1990) Internal Parasites of Rabbits, Dept. Comparative Medicine, University of Alabama, http://netvet.wustl.edu/species/rabbits/rabparas.txt

A.E. Sollod, T.J. Hayes, E.J.L. Soulsby (1968) Parasitic Development of Obeliscoides cuniculi in rabbits. J. Parasitol. 54: 129-132.

 

 

   

e-mail: info@medirabbit.com